Pasen 2020

Sandro Botticellic (1484-1491)

NOLLI ME TANGERE

We lezen verder waar we op de Goede Vrijdag zijn opgehouden. In dit
fragment staat de ontmoeting van Jezus met Maria uit Magdala centraal.
Er komen nog twee andere leerlingen voorbij en niet de minste. In de
manier waarop zij worden opgevoerd is herkenbaar hoe de schrijver van
het Johannes evangelie probeert een eigen narratieve traditie te
legitimeren. Volgens de traditie was Petrus degene die als eerste het graf
binnenging. De andere leerling komt echter eerder aan en kijkt vast naar
binnen.

Aan deze passage gaan we voorbij in de overdenking. Centraal staat het
verlangen van Maria naar de levende Jezus, die zij niet durft te zoeken op
de Paasmorgen. Als ze hem dan toch vindt, wijst Jezus haar fysieke
toenadering af: ‘Raak me niet aan.’
Na deze lezing horen we hoe mystica Hadewijch op de 50e Paasdag,
Pinksteren, het genoegen zal smaken van Jezus volle omhelzing en nog
heel wat meer. Dit contrast wordt gethematiseerd in de overdenking.

JOHANNES 1-18

Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam
Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van
het graf was weggehaald. Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de
andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit
het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd
hebben.’
Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen
beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en
kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen
doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen.
Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de
linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet
bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen
ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het
graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet
begrepen dat hij uit de dood moest opstaan.
De leerlingen gingen terug naar huis.

Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het
graf, en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het
hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van
Jezus had gelegen.
‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar.
Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem
hebben neergelegd.’
Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat
het Jezus was.
‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’
Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald,
vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’
Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’
Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.)
‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader.
Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar
mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’
Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de
Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.

HADEWIJCH VISIOEN 7
Ik kan niet veel over haar zeggen. Ik raad u aan op internet te zoeken
(Leven van Hadewijch). In het deel over deze periode uit de mooie
recente serie Nederlandse literatuurgeschiedenis, Stemmen op schrift, is
een flink gedeelte aan haar gewijd (Stemmen op schrift). Zeer
lezenswaardig.
Hadewijch was een geleerde vrouw, een mystica met een zeer diep
geloofsleven, een dapper mens dat haar overtuiging voorop durfde
stellen, ook waar daarvoor in haar tijd geen plaats was.
Ik lees dit gedeelte omdat het speelt aan het einde van de paastijd, op de
Pinksterdag om precies te zijn. Pinksteren is het perspectief van Pasen.
Hadewijch beschrijft dat perspectief in termen van een visioen waarin zij
Jezus ontmoet, hem omhelst, zich met alles wat zij bezit in zijn armen
werpt en uiteindelijk met hem versmelt. Feitelijk vindt zij wat Maria van
Magdala in de lezing uit Johannes wordt onthouden.

Ik laat dit gedeelte klinken als een visioen voor ieder die het ‘raak elkaar
niet aan’ in tijden van corona ernstig neemt. Het biedt een perspectief
aan ieder die daardoor de nabijheid, de warmte, de liefde van zijn
medemensen ontbeert.
Het is nu Pasen. We missen elkaar, maar er lonkt een toekomst waarin
wij elkaar vast zullen kunnen houden. Laten we vooruit lopend op die tijd
doen wat we kunnen, elkaar vasthouden zoveel als mogelijk is.

HADEWIJCH VISIOEN 7 (FRAGMENTEN)
(1) Op een pinksterdag, bij dageraad kreeg ik een visioen, toen men de
metten zong in de kerk en ik daar was. En mijn hart, mijn aderen en al
mijn ledematen trilden en beefden van begeerte. Het verging mij zoals zo
vaak gebeurde: zo verwoed en vreselijk was het mij te moede dat ik dacht
dat als ik mijn lief niet genoeg beminde en mijn lief mij niet bevredigde,
dat ik dan van razend verlangen zou sterven en al stervende nog steeds
zou verlangen.
[…]
(42) Toen het mij dus vreselijk te moede was, zag ik van het altaar een
grote arend aan komen vliegen. En die sprak tegen mij: “Wil je één
worden, bereid je dan voor.” Ik viel op mijn knieën en mijn hart ging
vreselijk te keer omdat mijn hart wat er gebeuren zou zo intens mogelijk
en met volle waardigheid wilde aanbidden. Wat toch onmogelijk was –
dat weet ik wel en God weet het en wat voor mij altijd weer oorzaak is van
pijn en verdriet.
[…]
(57) Toen kwam hij van het altaar: zelf verscheen hij als een kind. Dat
kind zag er uit zoals hij er uitzag in de tijd dat hij ongeveer drie jaar was.
En hij wendde zich naar mij toe en uit de ciborie nam hij zijn lichaam in
zijn rechterhand. En in zijn linkerhand nam hij een kelk die van het
altaar leek te komen, maar waar die precies vandaan kwam weet ik niet.
Daarmee kwam hij in de kleding en de gedaante van de man die hij was
op de dag dat hij aan ons voor de eerste maal zijn lichaam gaf. Zo: in de
gedaante van een mens, als een man, zacht en prachtig en met een
aantrekkelijk gezicht. En hij kwam onderdanig naar mij toe, als iemand
die een ander helemaal toebehoort.
[…]
(74) Daarna kwam hijzelf bij mij en hij nam mij helemaal in zijn armen
en drukte mij tegen zich aan. Al mijn ledematen voelden de zijne in met
een volmaakt genot, zo veel als mijn hart begeerde en ik verdragen kon
als mens. Toen was het mij genoeg: buiten zinnen, totaal verzadigd. En ik
had een korte tijd de kracht om het vol te houden. Maar al snel verloor ik
de uiterlijke vorm van die mooie man uit het oog en ik zag hem vervagen
tot hij er niet meer was. En hij leek op te lossen en weg te smelten,
zodanig dat ik hem buiten mijzelf niet meer kon bekennen of zien en hem
binnen in mijzelf niet van mezelf kon onderscheiden. Op dat moment
leek het mij dat wij één waren, ongescheiden.